Remond Duwyn

° 10 Mei 1871, Geraardsbergen Belgie – † 14 jul 1936, Laken Belgie

Als achterkleinzoon van een man die misschien een beetje geschiedenis in de muziekwereld heeft gemaakt, vond ik het normaal om de naam van mijn overgrootvader wereldwijd te verspreiden. Het is maar onlangs dat ik mij begon te interesseren aan mijn voorouders. Mijn broer Daniel en mijn oom Jean-Marie VANDENDAELEN hebben hier veel bij geholpen door het opmaken van een stamboom van onze familie. Het is tevens voor mijn vader dat ik deze pagina heb gemaakt. Hij was amper zes jaar toen zijn grootvader is overleden, maar heeft toch een hechte band met wat Remond DUWYN heeft gemaak, namelijk de orgels. Het heeft me sterk verwondert dat de orgels die werden gemaakt door mijn overgrootvader hun weg hebben gevonden tot over de atlantische oceaan. Bij mijn opzoekingswerken, heb ik kontakten kunnen leggen met een Amerikaans koppel die een Duwyn-orgel bezitten, en er zouden er meer in de Verenigde Staten zijn. Hierna heb ik een artikel overgenomen die mijn vader in zijn archieven had liggen. De foto’s komen uit mijn ouders’ familiealbum. Het oorspronkelijk artikel werd geschreven door POTVLIEGHE Ghislain. Ik weet niet in welk tijdschrift of publikatie het uitgebracht is, ik bezit enkel photokopies van relatief slechte kwaliteit. Indien U iets meer weet over Remond DUWYN, of andere artikels bezit, gelieve mij te kontakteren zodat ik deze pagina zo kompleet mogelijk kan maken. Ik hoop dat de schrijver van dit artikel het goed vindt wat ik doe, ik weet spijtig genoeg niet hoe het hem zelf te vragen. Veel leesplezier…. DUWYN Didier Gemaakt met de medewerking van mijn vader, Raymond DUWYN en mijn broers, Daniel en Michel DUWYN .

Inleiding

Zoals bij vele nevenfiguren uit de orgelbouwhistorie zijn ook de gegevens die ons over het leven en werk van Remond DUWYN inlichten, door toeval verkregen. Wekt het geen verwondering dat, sinds wij een paar jaar geleden een studie over de ”Orgelbouwkunst sedert de XVe eeuw te Brussel” aanlegden, deze zulke omvang verkreeg dat ze thans reeds een pleïade van meer dan 50 orgelbouwers bevat. Deze studie verkrijgt zelfs als het ware een organisch aspekt want nog steeds, en soms op de meest toevallige wijze, groeit deze lijst met vaste zegelmaat aan.

De uitgebreide produktie van de amusements-muziekinstrumenten moeten in het ontspanningsleven van onze voorouders een niet te onderschatten aandeel gehad hebben. Dientengevolge zal de muzikoloog weldra de nauwe verwantschap aanvoelen tussen deze instrumenten en de volksmuziek als zelfstandig muzikaal verschijnsel. Dit muzikologisch facet dat nu reeds tot de folklore behoort wordt nog boeiender, weshalve het organologisch verschijnsel van het ”amusements-orgel” niet veronachtzaamd mag worden. Bovendien willen we er rekening mee houden dat de muziek een der meest subtiele middelen is om ons inzicht in de volksziel te verruimen.

Doet het ons, jongeren, niet verwonderd opkijken als ons verteld wordt dat cafes met ”een zekere standing” een repertorium hadden voor hun orkestrion waarin uittreksels uit ”La Tosca”, ”La Chaste’Suzanne”, ”Les Millions d’Arlequin”, ”Espanya” om er maar enkele op te noemen, populariteit verwierven! Dit betekende toch wel, vulgarisatie van de opera. Meer volkse cafes verkozen pot-pourris samengesteld uit oude volksliederen, gelegenheidsliederen zoals kerstliederen en vanzelfsprekend werd dit repertorium regelmatig om de drie à vier maanden met de nieuwste schlagers aangevuld. Het gebeurde meer dat het volk deze wijsjes meezong!

De laatste, misschien wel de allerlaatste orkestrions, werden enkele ja- ren geleden uit de cafes verbannen. De gemeentebelastingen en auteursrechten lagen te hoog. Daarbij kwam nog dat, wanneer het orkestrion speelde, de meeste verbruikers geneigd waren tot dansen. Ook deze muzikale uiting van de volksmens werd verboden als de cafehouder over geen dansvergunning beschikte.

Deze orgels waren beslist kunstwerkjes, al hoorden zij bij de volkskunst, want elk instrument droeg het karakter eigen aan zijn bouwer die de volksmens naargelang de klank ervan kon onderkennen. Het orkestrion van R. DUWYN b.v. was meer uitgebouwd in de baskant en speelde onder lagere winddruk dan dat van Mortier. Mortiers intrumenten daarentegen hadden een zeer uitgebreide ”klaviatuur” en waren scherper geintoneerd.

Aanvankelijk vonden in Nederland draaiorgels van Parijs fabrikaat aftrek; later werden dergelijke instrumenten ook met ere in eigen land gemaakt, schrijft de Nederlandse organoloog A. Bouman, die in dat verband, de fabriek citeert van Carl Frei te Breda. Deze bouwde zijn instrumenten zo goed als geheel in eigen werkplaatsen volgens mensuren van Töpfer (1).

In Vlaanderen vond dit populaire instrument echter zeer toegewijde bouwers, met name Charles Hooghuys te Geraardsbergen, wellicht één der grootste specialisten die deze kunsttak ooit heeft gekend. Antwerpen was vertegenwoordigd door de gebroeders De Cap; Burssens (Hoboken), de firma van Daneels en het befaamde bedrijf van Mortier die met de Parijzenaar Gaspari concurreerde. Te Brussel werkte ook nog E. Fasano, een kermisorgelmaker van Italiaanse afkomst, die door zijn schoonzoon Honorez opgevolgd werd.

Deze kunsttak die in Vlaanderen een bloeiperiode kende heeft thans als surrogaat het ”juke-box”-bedrijf.

Onze nasporingen en studie nopens het ”amusementsorgel” zullen wij trachten verder uit te werken.

Met erkentelijkheid vermeld ik hier de medewerking van de Heer en Mevrouw Henri DUWYN, zoon van de orgelmaker, die mij bereidwillig de gegevens verstrekte waaruit deze bijdrage opgebouwd is, alsook van de Heer en Mevrouw Vrijdag, oud-gezellen van R. DUWYN.

Zij verhuisden later van Geraardsbergen naar Lessen alwaar zij overleden (2).

Remond DUWYN

Als oudste uit een gezin van acht kinderen werd Remond DUWYN op 5 oktober 1871 te Geraardsbergen geboren uit het huwelijk van Ernest DUWYN en Joanna Cnudde, eenvoudige werklui, die niet nalieten hem een stoere werklust gepaard aan een uitbundig levensoptimisme in te prenten.

Na korte tijd in een sigarenfabriek van zijn geboortestad te hebben gewerkt, ontving Remond DUWYN in een kerkorgelfabriek te Charleroi een eerste opleiding die zijn kunstambacht ten goede zou komen. Hij sleet er niet zijn hele jeugd. Toen het bedrijf van de Antwerpenaar Mortier moest uitgebreid worden om het hoofd te kunnen bieden aan de konkurrentie van de Parijzenaar Gaspari, ging Mortier vaklui opsporen en zodoende ontdekte hij R. DUWYN te Charleroi. Het Waalse orgelbouwbedrijf werd nog meer door Mortier uitgedund toen DUWYN hem de meestergezel van het atelier te Charleroi, Bax, aanbevool. Deze Bax heeft er alle baat weten uit te halen want, toen het bedrijf van Mortier tot een naamloze vennootschap werd omgevormd, stond hij aan de leiding van de zaak. Dit werkhuis heeft tot ca. 1950 een kontinuïteit gekend.

De bloeiende kermisorgelbedrijven in de Scheldestad kwamen ook R. DUWYN ten goede. Aan de zaak van Mortier bleef hij verbonden tot in 1906. Vandaar ging hij bij Daneels en kort nadien bij Bursens te Hoboken werken. Op die manier volmaakte hij zich in het kunstambacht. Ten slotte kon hij zich in 1914 als zelfstandig orgelmaker te Wilrijk vestigen waar hij een atelier huurde.

Na de dood van zijn eerste vrouw Rachel Uyttenhove stichtte DUWYN een nieuwe haard met Joanne Catharina Alida Opdebeeck (° 4-2-1877, † 8-6-1939). Uit het eerste huwelijk ontsproten die kinderen. Ze werden allen te Geraardsbergen geboren : Philomena (°1893, †  1956), Ernest (° 5-2-1895, † Laeken 19-10-l940) en Frans (° 1876, † Antwerpen 1917). Slechts de jongste telg, Henri (° Wilrijk 15-9-1903) stamt uit het tweede huwelijk.

Eigenlijk is Frans nooit deelgenoot geweest in het bedrijf van zijn vader. Trouwens, samen met zijn broer Ernest, was hij aanvankelijk in een steenkappersbedrijf te Wilrijk werkzaam. Het is eerst in 1919 dat Ernest aan de werkbank naast zijn vader zal staan. Zijn specialiteit bestond in het opstellen van de te perforeren ”muziekboeken”. De konstruktie van de blaasbalgen en windleidingen was aan Henri toevertrouwd die daarnaast ook nog voor het administratieve werk van het bedrijf instond. Daarbij werden nog een vijftal gezellen bij het bedrijf betrokken. Een Mechels beeldhouwer, Mertens genaamd, skulpteerde de fronten; een schilder kwam dan het instrument in helle kleuren opschikken, de versieringen in donkerder tinten en met bladzilver en bladgoud prononcerend.

 

V.l.n.r. een leerjongen, Henri Duwyn, Ernest Duwyn, Remond Duwyn en P. Vrijdag. (foto uit 1928)

Van links boven naar rechts onder : Ernest Duwyn, vier gasten, Bernard Duwyn en Henri Duwyn

Vader DUWYN intoneerde en harmoniseerde het pijpwerk dat in zijn atelier gemaakt werd en vervaardigde het regeerwerk. Enkel de metalen pijpen (van zink) werden niet in het atelier gebouwd maar werden bijde pijpenmaker P. Van Hemelrijck uit Vorst (Brussel) besteld. Andere benodigdheden leverde hem de Duitser Laukhuff uit Weikersheim.

Gedurende zijn verblijf te Wilrijk vestigde hij de aandacht der Nederlanders op zijn werk : uit Oosterhout (de h. Denijs bestelde drie kermisorgels), Vlissingen, Putte, Middelburg, Ossendrecht, Hogerheide en zelfs uit Breda, om maar enkele plaatsen op te noemen, kwamen tal van bestellingen toe.

 

Achterkant van de orgelfabriek DuwynTe Laken (Brussel)


Heel onverwachts maakte de verhuurder van de werkplaats waar DUWYN nu reeds acht jaar was gevestigd bekend dat dit huis zou geveild worden. Hierdoor verrast weigerde de orgelmaker formeel het atelier te kopen en na overleg met zijn zonen werd tussen Nederland en Brussel dit laatste gekozen en werd het bedrijf naar Laken, Emiel Bockstaellaan 414, overgebracht.

Tot dan toe hadden ze vooral kermis- en dansorgels vervaardigd. Vanaf het tweede jaar dat zij te Brussel verbleven, in 1923, werd ook volop de hand gelegd aan de bouw van orkestrions – cafeorgels, in feite kleine dansorgels in één kas ondergebracht en slechts houten pijpen bevattend. Deze orgels maakten sinds Wereldoorlog I opgeld. Het atelier was in staat, naast de onderhoudswerken en restauraties van zulke orgels, er jaarlijks acht à negen te maken; een dansorgel daarentegen vergde ongeveer twee maanden bouwtijd.

Het is vooral sinds DUWYN een vertegenwoordiger aangeworven had – de kunstenaar was allesbehalve een zakenrnan – dat het bedrijf zelfs niet meer op de talrijke bestellingen kon ingaan : bijna het dubbel aantal orkestrions mocht het atelier thans leveren. De zaak had haar toppunt bereikt.

Te Brussel hadden zij o.m. orkestrions geleverd in “t W’itte Paard” (Jules Van Praetstraat), in “t Misverstand” (Hoogstraat), in ”In de Rode Leeuw” (Maria Christinastraat), in ”Derby” (Em. Bockstaellaan), in de ”Tramstilstand” (Houba de Strooperlaan. Dit orgel werd later naar Heist overgeplaatst), een paar in de Wayezstraat te Anderlecht, enkele op het Hertoginneplein alsook één voor een cafe in de Manchesterstraat, te Sint Jans Molenbeek. Verder kunnen we nog orkestrions van DUWYN vermelden te Ninove en omstreken, Pamel, Neerbeek, Naurage, La Louvière, Halle, Lillois en Glabbeek.

Doch DUWYN leefde op een ogenblik dat het aktieve musiceren een kentering kende. Met de verspreiding van de radio deed de wending van de ”gebruiksmuziek” zich aanvoelen als een diepgaande breuk met het verleden. Omstreeks 1932/33 was deze folkloristische kunst haar einde genaderd en betekende meteen de teleurgang van dit volkse kunstambacht. DUWYN moest zich dan vergenoegen met het vervaardigen van zg. Russische biljarten waarvan hij slechts een drietal exemplaren heeft gemaakt. Het restje leven dat het bedrijf nog bezielde was in 1935 helemaal uitgestorven. De man die steeds prettig en uitzonderlijk droogkomiek in de omgang was – van zijn levensoptimisme getuigt zijn ”levens-slogan” ”er bestaan geen slechte mensen” – moet thans zijn laatste levensjaren als een eenzame, achter een waas van vergetelheid zien verglijden. Door een droefheid die hij niet meer overwinnen kon is zijn levensvreugde thans verbannen in een lijdend, ziekelijk lichaam. Hij maakt lange, eenzame wandelingen, dwaalt rond en gaat schreien in het stille atelier waar hij zich zijn vroegere wereld kon herinneren. Hij was een gebroken man geworden die zelfs van zijn huisgenoten vervreemde en uren lang, verstomd, diep voorovergebogen in z’n zetel, het hoofd in de handen, nog slechts op zijn einde wachtte totdat de dood hem eindelijk op 14 juli 1936 verloste. Hij werd op het kerkhof van Laken begraven.

Dispositie van een orkestrion van DUWYN

Zang :

Viool                                        2 rangen, 23 pijpen

Kleine fluit                              23 pijpen

Grote fluit                                23 pijpen

Jazzfluit                                  23 pijpen

Vormden de begeleidingsakkoorden :

Cello                                        2 rangen, 18 pijpen

Flüte alto                                 18 pijpen

Saxofoon                                    gebouwd naar een ontwerp van Ernest (+ tremulant indien voor de zang gebruikt)

Voix céleste                              2 rangen, 18 pijpen

Klarinet                                   gebouwd naar een ontwerp van Ernest

Grote bas                                  12 pijpen (bas van de begeleiding)

Violoncellebas                           12 pijpen

Grote trom, kleine trom, Jazzblokjes (Nood block), triangel met tremulant,

Bekken (in forte samen met de Grote trom aangeslagen), Kastagnetten.

Een tremulant voor de zang en één voor de tegenzang.

Winddruk : 120 mm. waterkolom.

(1) A. BOUMANS, Orgels in Nederland, Amsterdam 1949 (Heemschuserie), blz. 125.

(2) Laken, Stadhuis, Burgerstand. Overlijdensreg. stad Brussel 2de district, 1936).

Duwyn-De Gols-Crickx-Jacobs stamboom